Dynamische remarketing van Google Ads

Met remarketing kunt u advertenties weergeven aan mensen die uw website eerder hebben bezocht of uw mobiele app hebben gebruikt. Met dynamische remarketing kunt u nog een stap verder gaan door deze bezoekers een advertentie te laten zien voor het specifieke product dat ze op uw site of in uw app hebben bekeken.

In deze handleiding wordt uitgelegd hoe u dynamische remarketing van Google Ads kunt toepassen met Google Tag Manager. Raadpleeg de handleiding voor dynamische remarketing in het Helpcentrum van Google Ads om het proces beter te begrijpen voordat u deze tag implementeert.

Overzicht

U moet het volgende doen om uw site te taggen voor remarketing:

  • Implementeer een Google Ads-remarketingtag op alle pagina's van uw site.

  • Geef dynamische waarden voor elke remarketinggebeurtenis door aan de remarketingtag tijdens belangrijke stappen op uw site. Dit kunnen waarden zijn zoals de product-ID van het artikel dat is toegevoegd aan de winkelwagen, de oorsprong en bestemming van een vlucht waar de gebruiker naar zoekt, de promotie-ID van een aanbieding waarop een gebruiker heeft geklikt, enzovoort.

Dynamische remarketing kan worden geïmplementeerd voor elk type online organisatie. De lijst van dynamische waarden die moeten worden vastgelegd, is afhankelijk van de bedrijfsdoelstellingen van uw website. Er zijn parameters gedefinieerd voor verschillende bedrijfscategorieën, waaronder onderwijs, vacatures, reizen enzovoort. Bekijk de lijst van gebeurtenissen en parameters in het Helpcentrum van Google Ads en selecteer een parameter die geschikt is voor uw organisatie.

Dit zijn de implementatiestappen:

  1. Gebeurtenissen en parameterwaarden invullen
  2. Dynamische waarden in de remarketingtag invoegen
  3. Triggers opgeven voor activering van de remarketingtag
  4. Testen en implementeren

Gebeurtenissen en parameterwaarden invullen

De eerste implementatiestap is uw gegevens op zo'n manier van uw website verzamelen dat Tag Manager ze kan verwerken. U kunt gegevens van uw website verzamelen door een Tag Manager-variabele te implementeren. Gegevens kunnen op verschillende manieren worden verzameld, bijvoorbeeld via directe cookies, de gegevenslaag of aangepast JavaScript.

Waarden in de remarketingtag invoegen

Nadat u de tag heeft geconfigureerd om de doelgegevens als variabelen te ontvangen, gebruikt u deze variabelen om gegevens in de Google Ads remarketingtagtemplate van Tag Manager in te voeren.

Triggers opgeven voor activering van de remarketingtag

De volgende stap is het definiëren van triggers die Tag Manager laten weten wanneer elke instantie van de remarketingtag moet worden geactiveerd. U kunt triggers definiëren die gebaseerd zijn op ingebouwde variabelen, waaronder paginaweergaven, klikken op een link, klikken op een knop en formulierinzendingen. U kunt ook triggers maken op basis van een aangepaste gebeurtenis die worden geregistreerd in Tag Manager via de gegevenslaag.

Testen en implementeren

De laatste stap is het testen van de tags op uw site met behulp van de voorbeeldmodus van Tag Manager. Zodra alle tests zijn voltooid en u heeft bevestigd dat de tags correct zijn geactiveerd (met de verwachte dynamische waarden), kunt u de tags implementeren door de container te publiceren.

Kies de methode die u wilt gebruiken om remarketingtags te implementeren om gedetailleerde instructies te zien voor de implementatie van remarketingtags met Tag Manager:

Implementatiehandleiding

In dit gedeelte wordt beschreven hoe u dynamische remarketingtags van Google Ads in Tag Manager implementeert met één instantie van de remarketingtag voor alle stappen in uw aankooptrechter.

De belangrijkste stappen in dit proces zijn:

  1. Configureer uw website om waarden door te geven aan Tag Manager via de gegevenslaag of aangepast JavaScript.
  2. Maak gegevenslaagvariabelen in Tag Manager.
  3. Maak triggers.
  4. Configureer de remarketingtag met aangepaste parameters.
De gegevenslaagcode instellen op uw site

De gegevenslaagcode instellen op uw site

Deze stap is vereist als u kiest voor de implementatiemethode waarbij u expliciet dynamische gegevens doorgeeft aan Tag Manager via de gegevenslaag. Werk samen met een ontwikkelaar om de gegevenslaagcode op uw website te configureren. Als u van plan bent de dynamische waarden met behulp van aangepaste JavaScript-variabelen via Tag Manager te verzamelen, kunt u deze stap overslaan.

Het dataLayer()-object wordt gebruikt om aangepaste gegevens van uw site aan Tag Manager door te geven. Deze code moet boven uw containercode worden geplaatst, zodat de gegevens beschikbaar zijn wanneer Tag Manager wordt uitgevoerd. Hieronder vindt u een voorbeeld van een codefragment waarmee de gegevenslaag wordt gemaakt en vervolgens de totale winkelwagenwaarde van de gebruiker en de lijst van producten in het winkelwagentje worden doorgegeven:

<script>
dataLayer = [];
dataLayer.push({
  'event': 'add_to_cart',
  'value': 998.55,
  'items': [{
    'id': 1234,
    'google_business_vertical': 'retail'}, {
    'id': 45678,
    'google_business_vertical': 'retail'}]
  });
</script>

De sleutelnamen zijn hier willekeurig en hoeven niet te voldoen aan de vereisten (ze hoeven bijvoorbeeld niet te voldoen aan de naamgevingregels voor aangepaste parameters voor de Google Ads-remarketingtag). Zorg er wel voor dat u dezelfde sleutelnaam gebruikt wanneer u hetzelfde type gegevens doorgeeft aan Tag Manager.

Gebruik JavaScript om een matrix van items door te geven. Het object items moet een sleutel bevatten die overeenkomt met de primaire ID van het product of de service (bijvoorbeeld ID of bestemming) en een google_business_vertical-sleutel bevatten die het feedtype vertegenwoordigt waarmee de ID worden vergeleken.

Google Chrome-gebruikers kunnen met Tag Assistant controleren of de gegevenslaag correct is geïmplementeerd en de gegevens bekijken die door de site zijn doorgegeven aan Tag Manager.

Sommige trechterstappen kunnen asynchroon plaatsvinden (d.w.z. zonder dat een volledige pagina opnieuw wordt geladen). Dit kan bijvoorbeeld gebeuren wanneer een product aan het winkelwagentje wordt toegevoegd en de pagina niet verandert. Er kan in plaats daarvan een bevestigingsbericht of waarschuwing worden weergegeven. Het is belangrijk dynamische winkelwagengebeurtenissen te kunnen vastleggen: zonder deze functie mist u mogelijk veel winkelwagenverlaters en worden uw remarketinginspanningen minder nauwkeurig.

Met de methode dataLayer.push() kunt u variabelen instellen en tags activeren nadat Tag Manager is geladen. Als een gebruiker bijvoorbeeld een artikel aan een winkelwagent toevoegt, kunt u deze functie gebruiken om de gegevenslaag te updaten:

<script>
dataLayer.push({
  'event': 'add_to_cart',
  'value': 78.45,
  'items' : [{
    'id: '1234',
    'google_business_vertical': 'retail'
  }]
});
</script>

Variabelen configureren

Configureer een Tag Manager-variabele voor elk dynamisch gegeven dat u wilt doorgeven aan de remarketingtag. In dit voorbeeld configureren we een variabele voor 'Gebeurtenisnaam', 'Gebeurteniswaarde' en 'Gebeurtenisitems'.

  • Gebeurtenisnaam: De naam van een dynamische remarketinggebeurtenis, die de te meten gebeurtenis beschrijft. Het Google Ads-systeem gebruikt de reeks om gebruikers toe te wijzen aan één van meerdere automatisch gegenereerde gebruikerslijsten. We raden u aan een specifieke reeks gebeurtenisnamen te gebruiken uit de lijst met aanbevolen gebeurtenissen die worden beschreven in het Helpcentrum van Google Ads.

  • Gebeurteniswaarde: De waarde van de remarketinggebeurtenis. Dit is de totale waarde van de producten of services waarmee de gebruiker interactie heeft.

  • Gebeurtenisitems: De lijst van items waarmee de gebruiker interactie heeft. Deze variabele moet een matrix zijn van objecten met eigenschappen die het schema van het dynamische remarketingitem volgen. Elk item moet een of meer van de volgende eigenschappen hebben: id, location_id, origin, destination, start_date, end_date, google_business_vertical.

Bekijk de lijst van gebeurtenissen en parameters in het Helpcentrum van Google Ads.

Er zijn twee manieren om dynamische gegevens met Tag Manager te verzamelen. U kunt bijvoorbeeld waarden expliciet doorgeven aan Tag Manager vanaf uw website met gebruik van de gegevenslaag, of u kunt met behulp van Tag Manager waarden van uw site extraheren, indien mogelijk met aangepaste JavaScript-variabelen.

Uw site zo updaten dat waarden via de gegevenslaag aan Tag Manager worden doorgegeven: Dit is de robuustere methode voor remarketingtagconfiguratie. Met deze methode worden dynamische waarden rechtstreeks doorgegeven aan uw remarketingtag vanuit de gegevenslaag, maar hiervoor moet een ontwikkelaar wijzigingen aanbrengen in de code op uw website. We raden u aan een specifieke reeks gebeurtenisnamen te gebruiken uit de lijst van aanbevolen gebeurtenissen. Zodra de gegevens beschikbaar zijn in de gegevenslaag, maakt u gegevenslaagvariabelen in Tag Manager om deze waarden door te geven aan de tags. Maak in Tag Manager als volgt een gegevenslaagvariabele voor items en een andere voor value:

  1. Klik op Variabelen en dan Nieuw.
  2. Selecteer Gegevenslaagvariabele.
  3. Geef items op voor Naam gegevenslaagvariant.
  4. Klik op Opslaan.

Herhaal deze stappen om een tweede gegevenslaagvariabele te maken die value gebruikt voor de naam van de gegevenslaagvariabele.

Ontwikkelaars kunnen meer informatie vinden over implementaties van gegevenslagen op de Tag Manager-site voor ontwikkelaars.

Aangepaste JavaScript-variabelen gebruiken: U kunt ook aangepaste JavaScript-code gebruiken om de dynamische parameterwaarden van Tag Manager in te vullen met aangepaste tags. Deze methode is minder robuust dan de eerste, maar soms de meest praktische manier om de remarketingtags te implementeren, omdat u hiervoor de code op uw site niet rechtstreeks hoeft te wijzigen. U kunt aangepaste JavaScript-code schrijven waarmee de vereiste dynamische waarden uit de bestaande broncode op de pagina's worden opgehaald en doorgegeven aan de tag.

Doorgaans zijn de gegevens die zijn vereist voor de remarketingtag al ergens in het document aanwezig. Deze gegevens kunnen worden opgehaald via JavaScript-code die via Tag Manager op de pagina is ingevoegd. Het nadeel van deze methode is dat deze gebaseerd is op de broncode van uw site zoals waargenomen op het moment van implementatie. Als u in de toekomst wijzigingen aanbrengt in Tag Manager, moet u mogelijk uw aangepaste JavaScript-code bewerken.

Als u de gegevenslaag op uw site heeft geïmplementeerd:

Kies Variabele voor gegevenslaag als het variabeletype en voer de naam in van de gegevenslaagsleutel waar Tag Manager de verwachte gegevens kan vinden voor de te configureren variabele.

Als u de gegevenslaag niet heeft geïmplementeerd:

Zonder de gegevenslaag moet u de benodigde dynamische waarde uit de broncode extraheren. Dit kunt u doen met een Tag Manager JavaScript-variabele. Zoek de variabele in uw bestaande JavaScript-code en maak een JavaScript-variabele aan in Tag Manager met dezelfde naam.

Als u geen gegevenslaag, maar aangepaste JavaScript-variabelen gebruikt om dynamische parameterwaarden te verzamelen, moet u waarschijnlijk een andere strategie gebruiken om dezelfde aangepaste parameter te vullen, afhankelijk van de betreffende trechterstap.

Zo is de manier waarop u de product-ID op een productpagina invult anders dan de manier waarop u de product-ID op de winkelwagenpagina of op de aankoopbevestigingspagina invult, omdat de broncode of JavaScript-variabelen die u kunt linken, voor elke stap verschillend zijn. Daarom kunt u niet één enkele 'product-ID'-variabele maken die in alle omstandigheden werkt. In plaats daarvan moet u voor elk scenario waarin u deze informatie nodig heeft, één variabele maken om de product-ID op te halen.

Triggers configureren

De volgende stap is het instellen van triggers in Tag Manager voor de remarketingtag. Elke trigger wordt gemaakt door een type gebeurtenis op te geven en een of meer filters waarmee wordt bepaald wanneer een tag moet worden geactiveerd.

Triggers op basis van paginaweergave

In de meeste gevallen wordt de trigger die u nodig heeft, gebaseerd op de weergave van een bepaalde pagina of van een subset van pagina's. Voorbeeld: op een e-commerce-website maken we gewoonlijk één trigger om de tag op alle productpagina's te activeren, één trigger om de tag op de winkelwagenpagina te activeren en één trigger om de tag op de aankoopbevestigingspagina te activeren.

Een paginaweergavetrigger maken

  1. Klik op Triggers en dan Nieuw.
  2. Klik op Triggerconfiguratie en selecteer Paginaweergave.
  3. Stel de trigger in om op Sommige paginaweergaven te worden geactiveerd.
  4. In het gedeelte Deze trigger activeren wanneer er een gebeurtenis optreedt en aan al deze voorwaarden is voldaan voert u Pagina-URL en dan bevat en dan <pad> in, waarbij <pad> het voorspelbare onderdeel is van de URL voor de pagina's waarop u deze tag wilt activeren (bijvoorbeeld /producten/).

Wanneer u een trigger maakt die een tag activeert op een pagina binnen een subset van pagina's (bijvoorbeeld de productpagina's), gebruikt u operators als bevat of komt overeen met reguliere expressie zodat de trigger overeenkomt met de gewenste pagina-URL.

Niet op URL gebaseerde triggers

In situaties waarin de URL niet kan worden gebruikt om paginatypen van elkaar te onderscheiden, kunt u andere variabelen gebruiken als filters voor de paginaweergavegebeurtenis. Er kan bijvoorbeeld een ID-kenmerk aanwezig zijn:

<div id="cart_title">Winkelwagentje</div>

Een trigger maken die wordt geactiveerd wanneer dit kenmerk wordt gevonden:

  1. Klik op Triggers en dan Nieuw.
  2. Klik op Triggerconfiguratie en selecteer Zichtbaarheid van element.
  3. Stel de Selectiemethode in op ID.
  4. Voer cart_title in het veld Element-ID in.
  5. Stel voor deze tag in om één keer pagina te worden geactiveerd.
  6. Stel Minimaal percentage zichtbaar in op 1%.
  7. Stel de trigger in om bij Alle zichtbaarheidsgebeurtenissen te worden geactiveerd.

Asynchrone gebeurtenissen

Voor optimale prestaties van uw dynamische remarketingcampagnes is het van belang dat tags worden geactiveerd zodra de gebruiker een belangrijke stap in de aankooptrechter heeft voltooid, zoals wanneer een product wordt toegevoegd aan het winkelwagentje. Als een update van het winkelwagentje niet tot een nieuwe paginaweergave leidt, kunt u een trigger gebruiken die is gebaseerd op een klikgebeurtenis of aangepaste gebeurtenis.

Als u de gegevenslaag heeft geïmplementeerd, informeert u Tag Manager via een aangepaste gebeurtenis dat een product aan het winkelwagentje is toegevoegd en geeft u tegelijkertijd de relevante productinformatie door.

Wanneer een artikel aan het winkelwagentje wordt toegevoegd, moet uw websitecode dataLayer.push() gebruiken om een gebeurtenis aan de gegevenslaag toe te voegen:

dataLayer.push({
  'event': 'add_to_cart',
  'value': 78.45,
  'items' : [{
    'id': '1234',
    'google_business_vertical': 'retail'
  }]
});

Maak nu de trigger in Tag Manager:

  1. Klik op Triggers en dan Nieuw.
  2. Klik op Triggerconfiguratie en selecteer Overige: Aangepaste gebeurtenis.
  3. Stel Naam gebeurtenis in op add_to_cart.
TIP: Als u de gegevenslaag niet gebruikt, moet u een op klikken gebaseerde trigger instellen om een tag te activeren wanneer de gebruiker op een knop klikt. Meer informatie over gebeurtenissen

Taginstantie configureren

U heeft nu alle onderdelen gereed om samengevoegd te worden. U heeft variabelen geconfigureerd om dynamische gegevens te ontvangen en triggers ingesteld die Tag Manager vertellen wanneer er remarketingtags moeten worden geactiveerd. De laatste stap is het instellen van een remarketingtag met de geconfigureerde variabelen.

Hier is een voorbeeld van een configuratie van de remarketingtag:

  1. Klik op Tags en dan Nieuw.
  2. Klik op Tagconfiguratie en selecteer Google Ads-remarketing.
  3. Stel de Conversie-ID (en eventueel het Conversielabel) in op de waarde die Google Ads heeft gegenereerd. Meer informatie
    TIP: Gebruik een constante tekenreeksvariabele voor uw Google Ads-conversie-ID. Dat maakt het eenvoudiger om aanvullende Google Ads-tags te maken en te beheren.
  4. Vink het selectievakje Gegevens dynamische remarketinggebeurtenis verzenden aan en verwijs naar de Tag Manager-variabelen die u eerder heeft gemaakt:
    • Gebeurtenisnaam: {{Event}}
    • Gebeurteniswaarde: {{value}}
    • Gebeurtenisitems: {{items}}

Een conversietag implementeren

Implementeer naast de remarketingtag ook de Google Ads-conversietag zodat u de realtime algoritmen voor automatisch bieden, zoals doel-CPA en doel-ROAS kunt gebruiken. Maak een nieuwe remarketingtag voor Google Ads, stel de activeringstrigger in op 'Alle pagina's' en voeg alle triggers die u voor de andere tags heeft gemaakt, toe als blokkerende triggers:

  1. Klik op Tags en dan Nieuw.
  2. Klik op Tagconfiguratie en selecteer Google Ads-remarketing.
  3. Stel de Conversie-ID (en eventueel het Conversielabel) in op de waarde die Google Ads heeft gegenereerd. Meer informatie.
  4. Klik op Triggers en selecteer een trigger die op alle pagina's wordt geactiveerd.
  5. Klik op Uitzondering toevoegen en voer een uitzondering in voor elke trigger die al gedekt is door de aangepaste parameters die hierboven zijn ingevoerd.

Testen en implementeren

Zorg dat u bij elke Tag Manager-configuratie altijd een voorbeeld bekijkt en uw wijzigingen test om zeker te weten dat uw container naar behoren functioneert. Het is ook een goed idee om te testen met een geopende JavaScript-console, zodat u kunt zien of uw aangepaste JavaScript-code fouten veroorzaakt. Test verschillende scenario's om te verifiëren dat de tag zich correct gedraagt: voeg verschillende typen producten aan het winkelwagentje toe, bekijk een winkelwagen met meerdere producten, enzovoort.

Wanneer u aangepaste JavaScript-variabelen of aangepaste html-tags gebruikt, kunt u het beste uw code in een try/catch-blok schrijven. Als uw code een fout genereert (wat kan gebeuren als uw websitecode op een bepaald moment wordt gewijzigd, waardoor uw aangepaste code ongeldig wordt), wordt deze fout 'onderschept' door de JavaScript-interpreter, in plaats van een exceptie te veroorzaken. Verwijder het try/catch-blok wanneer u de code test zodat u eventuele fouten in de console kunt observeren. Nadat u deze fouten heeft verholpen en heeft geverifieerd dat uw code goed werkt, voegt u het try/catch-blok weer toe.

Nadat u de wijzigingen heeft getest, publiceert u uw container om de dynamische remarketingconfiguratie van Google Ads te activeren.

Was dit nuttig?
Hoe kunnen we dit verbeteren?