Een property instellen

Property's zijn waar u gegevens naartoe verzendt en waar u dataweergaven voor rapportage instelt.
Aan elk Analytics-account kunnen maximaal 50 property's worden toegevoegd. Als u deze limiet wilt verhogen, neemt u contact op met uw accountbeheerder.

U heeft rechten voor bewerken nodig voor het account om property's toe te voegen. Ga als volgt te werk om een property in te stellen:

  1. Log in bij Google Analytics.
  2. Klik op Beheerder.
  3. Gebruik in de kolom ACCOUNT het menu om het account te selecteren waaraan u de property wilt toevoegen.
    Als u veel accounts heeft, kunt u het zoekvak gebruiken om het juiste account te vinden.
  4. Selecteer in het menu van de kolom PROPERTY de optie Nieuwe property maken.
    Als u geen rechten voor bewerking heeft voor het account, is de optie Nieuwe property maken niet zichtbaar. Controleer of u het juiste account heeft geselecteerd in de kolom ACCOUNT.
  5. Selecteer Website of Mobiele app.
    Ga naar stap 7 als u Website selecteert.
    Ga verder met stap 6 als u 'Mobiele app' selecteert.
  6. (Mobiele app) Selecteer Firebase onder Trackingmethode. Selecteer een app in het menu en klik op App koppelen.
  7. Voer de desbetreffende naam in bij Website of App-naam.
    Als u van plan bent in uw account meer dan één app bij te houden, moet u een duidelijke, beschrijvende naam gebruiken met daarin het editie- of versienummer. Zo zorgt u ervoor dat uw app-property's overzichtelijk blijven.
  8. (Alleen internet) Geef de Website-URL op.
    U kunt geen property maken als de notatie van uw URL onjuist is. Meer informatie over de juiste notatie voor uw domeinnaam.

    Selecteer de protocolstandaard (http:// of https://). Geef de domeinnaam op zonder tekens na de naam (dus ook zonder schuine streep (www.example.com en niet www.example.com/).

    De meeste domeinhosts ondersteunen alleen UTF-8-tekens in de URL. Het is een goed idee UTF-8-tekens of punycode te gebruiken voor symbolen en andere niet-UTF-8-tekens (waaronder Cyrillische tekens) in uw domeinnaam. Een punycode-converter kan hierbij uitkomst brengen.

  9. Selecteer een Branchecategorie.
    Wanneer u een branchecategorie selecteert, kunt u doeltemplates gebruiken die zijn ontworpen voor uw branche.
  10. Selecteer de Tijdzone voor rapportage.
    Deze wordt gebruikt voor de daggrens voor uw rapporten, ongeacht waar de gegevens vandaan komen. Meer informatie over de instelling 'Tijdzone voor rapportage'.
    • De tijdzone-instelling heeft invloed op hoe gegevens in uw rapporten worden weergegeven. Als u bijvoorbeeld Verenigde Staten, Pacific Time kiest, worden het begin en het einde van de dag berekend op basis van Pacific Time; het doet er daarbij niet toe of de sessies afkomstig waren uit New York, Londen of Moskou.
    • Als uw Analytics-account aan een Google Ads-account gekoppeld is, wordt de tijdzone automatisch ingesteld op uw Google Ads-voorkeur en krijgt u deze optie niet te zien. Dit garandeert een nauwkeurige rapportage voor uw Google Ads-campagnes.
    • Het wijzigen van uw tijdzone is uitsluitend van invloed op toekomstige gegevens en wordt niet met terugwerkende kracht toegepast. Als u deze property al eerder heeft gebruikt, ziet u wellicht een plateau of een piek in uw rapportgegevens rond de periode dat u uw tijdzone heeft ingesteld. Nadat u deze instelling heeft geüpdatet, wordt in uw rapporten gedurende een korte periode mogelijk nog de oude tijdzone weergegeven.
  11. Klik op Tracking-ID ophalen.
    Uw property wordt gemaakt nadat u op deze knop heeft geklikt, maar u moet zelf de trackingcode instellen om gegevens te verzamelen.
Was dit nuttig?
Hoe kunnen we dit verbeteren?